Provincie Flevoland
Opgraving N23

Het verwerken van vondsten

18/05/2011 - De vondsten die tijdens een opgraving worden verzameld, gaan door vele handen. Na de ontdekking van een vondst start de verwerking ervan. Het proces van vondstverwerking kent verschillende opeenvolgende stappen. Eerst worden de stukjes vuursteen of vondsten van ander materiaal gezeefd en gewassen.Vervolgens worden ze gedroogd. Hierna worden de vondsten gesorteerd. Dan kan de informatie over de vondsten in de computer worden ingevoerd. Bij de opgraving van vindplaats 5 hebben de vondstverwerkers deze activiteiten uitgevoerd naast en in de keten die op het terrein stonden. Uiteindelijk hebben ze de vondsten in containers opgeslagen, zodat ze vervoerd konden worden naar locaties waar de vondsten verder bestudeerd of voor langere tijd opgeslagen kunnen worden.

Waar kwam die vondst vandaan?

Het is heel belangrijk om te weten waar een vondst vandaan komt. Alleen zo kan door de archeologen worden verklaard welk verband er is tussen de verschillende vondsten en wat dit zegt over de activiteiten die mensen vroeger op deze plekken hebben uitgevoerd. Daarom wordt er veel aandacht besteed aan het goed registeren van de gegevens die duidelijk maken waar de vondst heeft gelegen. Archeologen noemen de eigenschappen van de vondstlocatie de context van de vondst.

Op de opgraving bij de N23 werd de relevante laag grotendeels vakje voor vakje afgegraven. Elk vakje van 50 bij 50 bij 5 centimeter werd in een bakje geschept dat vervolgens gezeefd kon worden. Zo’n te zeven eenheid kreeg elk een apart vondstnummer, dat werd gekoppeld aan de nummers van de put, het vlak, het vak en het segment waaruit het afkomstig was. Tijdens het zeven werd het zand gescheiden van het interessantere materiaal, de vondsten. Deze werden vervolgens met het vondstkaartje in een droogbakje gestopt.

Drogen en sorteren

De droogbakjes met de vondsten werden in een droogkamer geplaatst. Deze ruimte werd door bouwdrogers verwarmd tot een temperatuur tussen de 30 en 40 graden Celsius. Het drogen van de vondsten duurde, afhankelijk van het materiaal en de hoeveelheid, één tot maximaal vier dagen.

Hierna werden de bakjes naar de sorteerruimte gebracht, waar het materiaal per bakje verder kon worden uitgesplitst. In deze ruimte werkten dagelijks zo’n tien mensen. Door hen werden de vondsten verdeeld per materiaalcategorie: zaden werden bij zaden, hout werd bij hout, en vuursteen werd bij vuursteen in aparte plastic zakjes gestopt. Deze zakjes werden samen met het vondstnummer in een grotere zak verzameld, zodat duidelijk bleef waarvandaan de vondsten afkomstig waren. 

In de volgende poster, die eind juni op deze website beschikbaar zal zijn, zal verder worden ingegaan op hoe een vondst wordt geregistreerd in de computer en welke rol het vondstkaartje daarbij speelt.